Actueel


Wettelijke rente over smartengeld

In mijn bijdrage 'Wettelijke rente over smartengeld wegens letsel. Pleidooi voor een consistent uitgangspunt' (Verkeersrecht 2019/182) bepleit ik dat de vaststelling van smartengeld wegens letsel steeds zou moeten geschieden naar het moment waarop de waardering plaatsvindt: de op dat moment bekende en verwachte feitelijke ontwikkelingen en de dan geldende billijkheidsmaatstaven zijn wat mij betreft beslissend, en vanaf dat moment moet de wettelijke rente over het vastgestelde bedrag lopen. Het artikel bouwt in sterke mate voort op mijn proefschrift.

 

Het artikel is te raadplegen via deze link.

Compensatie van misdrijfschade: veel beweging, voldoende inzicht en visie?

Op dinsdag 24 september 2019 organiseerde Erasmus School of Law het symposium ‘Compensatie van misdrijfschade - Solidariteit, verzekering, verhaal'. Het symposium werd gefaciliteerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Beleidsmakers, advocaten, rechters, wetenschappers en studenten traden met elkaar in discussie over het thema.

 

De middag werd ingeleid door prof. mr. Siewert Lindenbergh, die het thema in grote lijnen uiteenzette. Prof. Lindenbergh is als hoogleraar privaatrecht verbonden aan Erasmus School of Law en daarnaast onder meer plaatsvervangend voorzitter van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven. Hij stelde vast dat de afgelopen decennia is ingezet op de ‘emancipatie’ van slachtoffers van misdrijven en dat het terrein sterk in beweging is, maar vroeg zich af of daarbij ook sprake is van voldoende inzicht in en visie. Wie draagt welke schade en wie zou welke schade moeten dragen? Wat wordt aan slachtofferzijde aan compensatie ontvangen en hoeveel schade blijft onvergoed? Welke schade wordt daadwerkelijk verhaald aan daderzijde? En welke schade wordt – uiteindelijk – gedragen door de samenleving? Wordt misdrijfschade met de daartoe beschikbare middelen efficiënt gecompenseerd? Prof. Lindenbergh hield het publiek voor dat het uitgangspunt dat ‘de dader moet goedmaken wat hij heeft aangedaan’ moreel weliswaar ijzersterk is, maar praktisch uiterst problematisch als het gaat om de ‘ernstiger’ misdrijfschade. Slachtoffers krijgen hun schade doorgaans niet volledig vergoed; daders zijn veelal insolvabel en niet verzekerd voor de gevolgen van hun criminele gedragingen.

 

Vervolgens vonden interactieve workshops plaats rond drie thema's: solidariteit, verzekering en aansprakelijkheid. Dr. Marnix Hebly (universitair docent privaatrecht aan Erasmus School of Law) en dr. Renée Kool (universitair hoofddocent straf(proces)recht bij het Utrecht Centre for Accountability & Liability Law (Ucall) en het Willem Pompe Instituut (Universiteit Utrecht)) benaderden het thema vanuit de invalshoek van aansprakelijkheid. Zij gingen met hun publiek in discussie over onder meer de vraag of de processuele mogelijkheden van schadeverhaal via het strafproces verder moeten worden uitgebreid, of dat juist aanleiding bestaat om de materiele aanspraak van de benadeelde partij onder de loep te nemen. Wat betekent het voor de vormgeving van schadeverhaal via het strafproces, dat de overheid (lees: de samenleving) uiteindelijk voor een groot deel van de schade garant staat via de zogenoemde ‘voorschotregeling’?

 

Prof. mr. dr. Louis Visscher (hoogleraar Legal Economic Analysis of Tort and Damages aan Erasmus School of Law) en mr. Arlette Schijns (advocaat en tevens onderzoeker bij het Amsterdam Centre for Comprehensive Law van de Vrije Universiteit Amsterdam) belichtten de problematiek van de misdrijfschade vanuit het verzekeringsperspectief. Welke verzekeringsrechtelijke instrumenten dienen zich aan ter verbetering verhaalspositie slachtoffers? Aan bod kwam schadeverhaal via de aansprakelijkheidsverzekering van de dader (directe actie en verweermiddelenverbod) en schadeverhaal via verzekering aan de ‘eigen’ kant van het slachtoffer (first party-verzekering). Hierbij betrokken Visscher en Schijns ook het rechtseconomische perspectief: welk doel wordt nagestreefd, en welk instrument is daartoe het meest geschikt? Als vooral spreiding van schade het doel is, welk spreidingssysteem moet dan worden gekozen?

 

Prof. Lindenbergh en drs. Gerdjan Hoekendijk (beleidsadviseur bij de afdeling Slachtofferbeleid van het ministerie van Justitie en Veiligheid) benaderden misdrijfschade vanuit de gedachte van (publieke) solidariteit. Vanuit de solidariteitsgedachte rijst de vraag in hoeverre slachtoffers van misdrijven een bijzondere positie hebben ten opzichte van andere onfortuinlijken in de maatschappij, welke rol de overheid voor slachtoffers van misdrijven heeft en op welke grondslag die is gebaseerd. Prof. Lindenbergh en Hoekendijk gingen met de deelnemers in gesprek over vragen van compensatie (draait het meer om erkenning of om compensatie?) en vragen van verhaal (behoeft solidariteit wel (individueel) verhaal op de dader?).

 

Begroting van immateriële schade: over de betekenis van de duur van het lijden bij blijvend en bij dodelijk letsel

Onlangs schreef ik voor Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade (TVP) een artikel over de betekenis van de duur van het lijden bij begroting van immateriële schade in verband met blijvend letsel en wegens dodelijk letsel. Weliswaar is volgens de Hoge Raad de duur van het lijden een omstandigheid die de rechter bij de begroting van het smartengeld in het bijzonder dient mee te wegen, in de literatuur wordt opgemerkt dat de betekenis van deze factor niet steeds duidelijk is. Het artikel bouwt voort op mijn proefschrift (Schadevaststelling en tijd, Den Haag: Boom juridisch 2019), waarop ik op 27 juni jl. promoveerde.

 

Het stuk is direct open access beschikbaar via Boom juridisch.

 

Promotie: Schadevaststelling en tijd

 

Op 27 juni 2019 promoveerde ik aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op mijn proefschrift 'Schadevaststelling en tijd'. Ik voerde mijn onderzoek uit onder begeleiding van mijn promotoren prof. mr. S.D. Lindenbergh en prof. mr. H.N. Schelhaas. Het proefschrift is uitgegeven door Boom juridisch.

 

Schadevergoeding strekt ertoe de benadeelde zoveel mogelijk in de positie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd zonder aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. Die gebeurtenis kan evenwel oorzaak zijn van allerlei feitelijke ontwikkelingen die zich gaandeweg met het verstrijken van de tijd ontvouwen. Mijn proefschrift handelt over de rol van de factor tijd bij vaststelling van schade, en gaat in op een aantal kernvragen: met welke feiten en omstandigheden, die zich voordoen na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, moet de rechter rekening houden bij de vaststelling van schade? Welk moment heeft voor zijn oordeel als beslissend te gelden? En hoe verhoudt een en ander zich tot andere leerstukken van schadevergoedingsrecht (meervoudige causaliteit, voordeelstoerekening, wettelijke rente etc.)?

 

Het tijdsaspect van schade doet zich in uiteenlopende situaties gevoelen. Wanneer een zaak beschadigd raakt, bestaat het te vergoeden nadeel van de eigenaar dan in de onmiddellijke achteruitgang in economische waarde van de zaak, of wordt de schade geleden op een later moment, wanneer kosten worden gemaakt vanwege herstel of wanneer de zaak wordt verkocht voor een lagere koopprijs dan in onbeschadigde toestand? Kan een ongevalsslachtoffer dat jarenlang procedeert over een letselschadevergoeding na verloop van tijd worden tegengeworpen dat zijn inkomensschade geringer is gebleken dan aanvankelijk verwacht, wanneer zich lopende de procedure een economische crisis voordoet die – het ongeval weggedacht – waarschijnlijk ook zijn inkomenspositie zou hebben geraakt? Op welk moment lijdt een belegger, die tegen een (aan misleidende berichtgeving op de beurs toe te schrijven) onzuiver hoge koers effecten heeft gekocht, schade in juridische zin? Heeft de ondernemer die als gevolg van een fout van een ander winst misloopt onmiddellijk aanspraak op vergoeding van de vermindering van economische waarde van zijn onderneming, te bepalen aan de hand van de verloren gegane vooruitzichten ten tijde van de normschending (ex ante), of moet zijn winstderving van periode tot periode worden vastgesteld, waarbij feiten en omstandigheden die zich voordoen na de normschending meewegen (ex post)?

 

In mijn proefschrift inventariseer, beschrijf en analyseer ik de tijdsproblematiek van schade op twee niveaus: het boek vangt aan met een algemeen deel (Deel A) en vervolgt met een reeks deelstudies (Deel B). Het algemene deel bevat een analyse van het tijdselement in het schadevergoedingsrecht op beginsel- en begripsmatig niveau. Het vangt aan met een  hoofdstuk over doel en beginselen van schadevergoedingsrecht, en wordt voortgezet aan de hand van een onderverdeling in drie gedachtenfasen die bij schadevergoedingskwesties van belang zijn en die in afzonderlijke hoofdstukken worden behandeld: de kwalificatiefase (het begrip schade), de kwantificatiefase (begroting van schade) en de toerekeningsfase (toerekening van schade). Steeds wordt bezien op welke wijze de besproken begrippen en leerstukken relateren aan de factor tijd. In Deel B worden vijf belangrijke deelterreinen onderzocht: zaakschade, personenschade, winstderving, beleggingsschade en schade door rechtmatige overheidsdaad (onteigening en planschade). Telkens wordt afgevraagd hoe de factor tijd een rol speelt bij de vaststelling van schade.

 

Het proefschrift mondt uit in een slotbeschouwing waarin een aantal kernbevindingen van de studie worden weergegeven. De rode draad is dat in de systematiek van het schadevergoedingsrecht een logisch-chronologische structuur besloten ligt, waarin het juridische begrip schade een dragende rol speelt. De analyse laat zien hoe diverse tijdgerelateerde problemen in het schadevergoedingsrecht kunnen worden opgelost door de inhoud van het juridische begrip schade zo scherp mogelijk te omlijnen.

Strafrechter wijst ‘recordbedrag’ aan smartengeld toe

Onlangs schreef ik voor Letsel & Schade een korte noot bij Hof Den Haag 8 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:532. Het gaat in deze (straf)zaak om de ernstige gevolgen van excessief geweld, waarbij het slachtoffer ernstige hersenbeschadiging heeft opgelopen en ter zake waarvan de dader door het hof wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar wegens poging tot doodslag. Het hof wijst een bedrag van € 250.000 aan smartengeld toe (vermeerderd wettelijke rente vanaf datum delict, te weten 11 november 2015). De uitspraak is opmerkelijk omdat een rechter niet eerder een smartengeldbedrag van deze omvang toewees – een stijgende lijn lijkt er wel te zijn – en het bovendien de strafrechter is die hier het plafond verhoogt. Zeker wanneer het algemene ‘smartengeldpeil’ aan verandering onderhevig is, lijkt het mij zinvol om de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade kritisch tegen het licht te houden.
 
De noot is hier te lezen.