Schadevaststelling bij boombeschadiging: een opmerkelijk arrest

In HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145, RvdW 2018/29 (Liander/Gemeente Heiloo) draait het om de vaststelling van schade als gevolg van de beschadiging van een boom (in het openbaar groen), waarbij geen sprake is van noodzaak tot vervanging. Bij door Liander uitgevoerde graafwerkzaamheden raken de wortels beschadigd van een ongeveer 70 jaar oude zomereik die in eigendom toebehoort aan de gemeente Heiloo. In opdracht van de gemeente taxeert een boomdeskundige de schade, en doet dat aan de hand van het Rekenmodel Boomwaarde zoals opgenomen in de Richtlijnen NVTB 2013 van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen. Omdat dit rekenmodel in veel gevallen wordt toegepast, wenst Liander een principiële uitspraak over de vraag in hoeverre het rekenmodel in lijn is met het schadevergoedingsrecht.

 

Het hof formuleert algemene uitgangspunten voor de schadevaststelling bij boombeschadiging. De Hoge Raad overweegt dat de schadebegroting niet kan worden gestoeld op het uitgangspunt dat de kosten die in het verleden zijn gemaakt om het genot van de boom te verkrijgen en te behouden geacht moeten worden hun doel te hebben gemist: de boombeschadiging (die niet noodzaakt tot vervanging) laat onverlet dat die boom tot het moment van de beschadiging de functie die hij voordien had steeds in volle omvang heeft vervuld en nadien ten dele nog vervult. Nu vaak onzekerheid zal bestaan over enerzijds de ontwikkeling van het zelfherstel van de boom na de beschadiging en anderzijds de ontwikkeling in het hypothetische geval zonder de beschadiging, kan een afweging van goede en kwade kansen op bezwaren stuiten die aan directe algehele begroting op basis van een schatting in de weg staan. Dat een begroting bij voorbaat (art. 6:105 BW) in dit type gevallen de voorkeur zou verdienen boven het afwachten van een eindtoestand kan volgens de Hoge Raad als algemene regel niet worden aangenomen.

 

In mijn JA-noot komen verschillende aspecten aan de orde. Zo ga ik in op het Rekenmodel Boomwaarde en op de vraag in hoeverre boomwaardeverlies als vermogensschade kan kwalificeren: een vraag die in de Nederlandse rechtspraak en literatuur nog betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen. Ten aanzien van het arrest van de Hoge Raad ben ik enigszins kritisch: ik meen dat het arrest van hof anders moet worden gelezen dan hoe de Hoge Raad dat doet. Dat relativeert niet alleen de overwegingen van de Hoge Raad ten aanzien van zowel het leerstuk van de vergeefs gemaakte kosten als de begroting van toekomstige schade (de onderwerpen waarop het hof wordt gecorrigeerd), maar het leidt ook tot de conclusie dat over de ‘juridische houdbaarheid’ van het Rekenmodel Boomwaarde nog niet zoveel duidelijk is.

 

De annotatie is te vinden in de nieuwe Jurisprudentie Aansprakelijkheid.

 

Reactie schrijven

Commentaren: 0